09/06/2026
Van vastgoeddeal naar faillissement... en toen werd het pas interessant
Soms zijn dossiers vreemder dan fictie.
Een vastgoed-BV kocht onroerend goed, maar nam uiteindelijk niet af. Onze cliënt maakte daarom aanspraak op de contractuele boete van 10%.
Betalen zou gebeuren. Dat werd meerdere keren toegezegd.
Maar betalen gebeurde niet.
De BV werd aangesproken en ging uiteindelijk failliet.
Gelukkig was er een borg. Ook de borg erkende de schuld en beloofde meermaals te betalen. Ook die toezeggingen bleven zonder gevolg.
Daarop werd het faillissement van de borg in privé aangevraagd.
De rechtbank verklaarde hem failliet.
In hoger beroep volgde een nieuwe verdedigingslinie: de echtgenote zou de borgstelling hebben vernietigd op grond van artikel 1:88 BW.
Een potentieel krachtig verweer.
Alleen bleek uit de statuten en bedrijfsomschrijving van de vennootschap dat deze zich juist bezighield met vastgoedtransacties en het verstrekken van zekerheden daarvoor. Daarmee leek de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW van toepassing.
Kort daarna trok de advocaat van de wederpartij deze grief in.
Het faillissement bleef in stand.
Daarna werd namens onze cliënt de vordering ingediend in het faillissement. De curator erkende de vordering en plaatste deze op de lijst van voorlopig erkende crediteuren.
Na afloop van het faillissement volgde zelfs nog een uitkering: eerst op de preferente faillissementskosten en vervolgens een bescheiden bedrag op de concurrente vordering.
Maar het verhaal was nog niet voorbij.
Na opheffing van het faillissement werd de debiteur opnieuw aangeschreven voor het resterende bedrag. En toen gebeurde iets opvallends.
Dezelfde debiteur beriep zich opnieuw op de vernietiging van de borgstelling door zijn echtgenote. Daarnaast stelde hij dat de vordering tijdens de verificatievergadering zou zijn betwist.
Dat was opmerkelijk.
Van een betwisting was nooit iets vernomen. De curator had de vordering immers erkend en er was zelfs een uitkering gevolgd.
Reden genoeg om alsnog te dagvaarden.
Tijdens de zitting werd vervolgens nadrukkelijk gesteld dat de vordering wél was betwist tijdens de verificatievergadering.
Na afloop van de zitting volgde daarom navraag bij de curator.
Zijn antwoord zorgde voor een onverwachte plotwending.
Er had helemaal geen betwisting van de concurrente vordering plaatsgevonden. Geen enkele.
Daarom is inmiddels een afschrift van het proces-verbaal van de verificatievergadering opgevraagd. Dat proces-verbaal heeft immers dezelfde kracht als een vonnis ten aanzien van erkende vorderingen.
Een opmerkelijke gang van zaken.
Maar soms ontstaat juist door onverwachte wendingen extra bewijs.
En alles wijst erop dat deze zaak uiteindelijk alsnog positief zal aflopen voor de cliënt.
Moraal van het verhaal? Wie jarenlang toezegt te betalen, een schuld laat erkennen in faillissement, een uitkering daarop accepteert en daarna alsnog probeert terug te komen op alles wat eerder is gebeurd, creëert vaak meer problemen dan oplossingen.
Call now to connect with business.